De vragen en discussies die bij Geschiedenis I: Middeleeuwen horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 55 vragen, waarvan 52 met een antwoord dat vrij te lezen is.
Omdat ze dezelfde ouder hebben: Rome. Alle drie zijn erfgenamen van het Romeinse rijk en dragen sporen van die gemeenschappelijke afkomst, of op zijn minst van wat ze overnamen. Toch zijn het drie eigen beschavingen. Het college noemt dit de rode draad door het hele handboek. Daarom is vergelijken een kernvaardigheid in dit vak: zet de drie culturen naast elkaar op één punt.
Het college laat zien dat hij bij de Romeinse orde hoorde: hij kwam op verzoek van de keizer, liet bestuur en economie doorlopen en zag Rome als model. Tegelijk koos hij een andere vorm van het christendom dan Rome. Welke van die twee woog voor zijn onderdanen in Italië het zwaarst?
Allebei, en dat is precies het punt. Een heilige was na zijn dood nog krachtig, en die kracht zat in zijn relieken. Wie de relieken had, had dus toegang tot die kracht. Rijke Romeinen hielden relieken thuis, als privébezit. Ambrosius bracht de botten van Gervasius en Protasius met veel publiek naar zijn kathedraal en begroef ze onder het altaar. Daarmee kwam de kracht van de heiligen bij de bisschop en bij de hele gemeenschap van Milaan. Veel kerken volgden dat voorbeeld.
Kijk naar wat Antonius kon: genezen, demonen uitdrijven en ruzies bijleggen. Zo'n kracht trok mensen aan. Athanasius eiste door zijn verhaal de nalatenschap van Antonius op. Wat won een bisschop van Alexandrië erbij als juist hij die heilige beschreef?
Omdat hun relatie fases had zoals een relatie tussen twee partners. Eerst zochten ze elkaar op, daarna werden ze van elkaar afhankelijk. Vanaf de jaren 330 vochten Visigoten als bondgenoten, en eind vierde eeuw dienden hele stammen als federaten. Toen de Goten in 376 voor de Hunnen vluchtten, behandelden de Romeinen hen slecht. In 378 volgde de opstand bij Adrianopel, in 410 de plundering van Rome. Het beeld laat zien dat de barbaren al lang deel waren van de Romeinse wereld.
Kijk naar wie er schrijft: bisschoppen, Romeins geschoolde adviseurs, mensen als Boethius en Cassiodorus. Zij zagen de koningen binnen het rijk regeren. Maar wat weet je dan over de boeren van Wijster of de curiale families die naar het platteland vluchtten?
Iedereen was het erover eens dat je alleen gered werd als je Pasen op de juiste dag vierde. Het ging dus om het zielenheil. De Keltische en de Romeinse traditie rekenden de datum anders uit, en beide hielden vast aan hun eigen berekening. Op de Synode van Whitby (664) koos koning Oswy voor Rome, omdat Rome volgens hem sprak met de stem van Petrus. Daarmee koos hij ook voor de Romeinse kerk als geheel.
Kijk naar wie die bronnen schreef: geestelijken. Voor hen was "de jood" een abstracte categorie om het christendom tegen af te zetten. Wat betekent dat voor hoe je een bron over een groep leest, als die groep zelf niet aan het woord is?
Het college noemt drie kenmerken van een staat: legitiem gezag, een monopolie op geweld, belasting en wetgeving, en een organisatie van instellingen en ambtsdragers. Karel had wel capitularia, graven en missi. Maar een belastingstelsel ontbrak, en graven werden met land beloond. Macht bleef daardoor persoonlijk: ze hing aan trouw tussen de vorst en zijn getrouwen.
Kijk naar wat beide partijen inbrachten: de vazal zijn dienst, de heer een leen. Beiden kozen vrijwillig en openbaar. Maar wie bezat het land, en wie kon de band het makkelijkst verbreken?
Einhard schreef zo'n twintig jaar later dat Karel de kerk niet in was gegaan als hij het plan van de paus had gekend. Of dat klopt, weten we niet: Einhard schreef achteraf en had een eigen beeld van Karel. Wel past het bij wat Karel daarna deed. Hij noemde zich nog ongeveer een jaar koning. Daarna koos hij een titel waarin God hem kroonde, niet de paus. Rosenwein leest die titel zo: Karel was Gods keizer, en het Romeinse rijk was een van zijn vele taken.
Kijk naar het soort bewijs dat ze gebruikt: een capitularium over onderwijs, klachten van rijken over boerenzonen aan het hof, de geschiedenis van de nonnen van Chelles en het handboek van Dhuoda. Wat zegt het dat juist klachten van rijken als bewijs dienen voor de armen?
Omdat historici er heel verschillende dingen mee bedoelen. Voor de een is het de uitbuiting van boeren door heren, voor de ander wetteloze anarchie of juist een geordende machtspiramide. Ook over het begin is geen overeenstemming: rond 1000 of in de twaalfde eeuw. Rosenwein laat het woord daarom meestal liggen. De instellingen erachter, heren, vazallen en lenen, kan ze niet negeren. Ze dateert die per regio, van eind tiende eeuw in Frankrijk tot nooit in veel delen van Italië.
Kijk naar wat de beweging deed: ridders zweren te sparen wat van de kerk was, en krijgers vallen in zondaars en rechtvaardigen uiteen. Rosenwein zegt dat het initiatief van geestelijken kwam die heilig en wereldlijk wilden scheiden. Wie had er het meeste baat bij die scheiding?
Deels. In het noorden van Europa speelden bevolkingsdruk en een kleine ijstijd, en in 1309 mislukten de oogsten door een extreem nat seizoen. Maar mensen maakten het erger. Huursoldaten plunderden, heren eisten nieuwe heffingen in geld, en tussenhandelaren hielden voorraden achter. Het onderzoek in de bundel van Drendel wijst er ook op dat het Middellandse Zeegebied de hongersnood niet kreeg. Een ramp die alleen van de natuur komt, zou je overal verwachten.
Kijk naar wie de welvaart had. Grote landeigenaren werden agrarische ondernemers, steden leefden van import en kooplieden stuurden markten. Wie profiteerde van die nieuwe wereldeconomie, en wie werd er juist kwetsbaarder door?
Het verschil zit in wat er daarna gebeurde. Na de kruistocht van 1204 leefde de Byzantijnse staat voort in de provincies, en hij heroverde later de hoofdstad. Na de Ottomaanse verovering van 1453 gebeurde dat niet. Daarom zagen tijdgenoten, en historici nu, de val als een keerpunt. Toch leefde Byzantium op een andere manier voort: in de herstelde orthodoxe patriarch, in Rusland als Derde Rome en in de Grieken in Venetië.
Voor gemiddeld de helft van de bevolking wel, want die stierf. Maar kijk naar de overlevenden: arbeiders werden schaars, nieuwe mensen kwamen in de gilden en sommigen kochten zijde. Waarom kwam de Statute of Laborers er dan, en wie wilde die wet?
Ten dele. Rosenwein waarschuwt dat het volkse karakter niet overdreven moet worden. Vaak leidden lage ridders of rijke burgers de opstand: Jacob van Artevelde was landeigenaar, Étienne Marcel het hoofd van de Parijse kooplieden. Wel deden grote groepen mee, van wie sommigen heel arm waren. In Siena was het popolo minuto een mengsel van loonarbeiders, ambachtslieden, kooplieden en zelfs edelen. De opstanden wortelden in lokale grieven en slaagden hooguit ten dele.
Handboeken scheiden ze meestal: crisis bij de middeleeuwen, creativiteit bij de renaissance. Rosenwein zegt dat ze samen gebeurden, en dat een crisis voor de ene groep een kans voor de andere was. Denk aan Petrarca, die de verwoeste steden zag. Voor wie was de pest een kans?
Omdat de islam niet uit het niets kwam. Hij ontstond in een wereld die getekend was door de lange oorlog tussen Byzantium en Perzië, door pest, economische neergang en verplattelanding. Arabië kende al christenen, joden en zoroastriërs, en de islam had theologische banden met jodendom en christendom. De Umayyaden bouwden hun bestuur op bestaande modellen. Zo wordt de islam een zustercultuur van Byzantium en het westen, met een gedeelde achtergrond in de late oudheid.
Het college legt uit dat Berber de gangbaarste weergave in ons schrift is van het Arabische barbar, dat brabbelen betekent. Het Latijnse barbarus betekent barbaar. Welke blik op een volk zit er in zo'n naam, en wie heeft hem gegeven?
Ze zagen pest, aardbevingen en oorlog als Gods straf, en zochten naar wat God boos maakte. Voor de ene groep waren beelden juist een weg naar Gods gunst: ze droegen het heilige in zich. Voor Leo III waren ze afgoderij, en dus de oorzaak van de straf. Daarnaast ging het om controle. Beelden kon iedereen namaken zonder toestemming van de clerus, en kloosters bevorderden hun verering. Een verbod gaf de geestelijken die controle terug.
Kijk naar wie er woonde. Moslims waren een minderheid, christenen en joden leefden grotendeels op hun oude manier door, en de veroveraars namen veel over. Wat laat zo'n kaart dus zien: het geloof van de heersers of dat van de bevolking?
In Bulgarije regeerde de khan over veel Griekstalige christenen en bestuurde al op Byzantijnse wijze, met Griekse ambtenaren en ceremonies. Griekse vluchtelingen en krijgsgevangenen brachten hun geloof mee naar de elite. Moravië had Byzantium juist nodig als tegenwicht tegen de Franken, en koos uiteindelijk toch voor Rome. Toch volgde ook Boris Byzantium niet blind: hij schreef de paus en regelde een aartsbisschop die niet onder Constantinopel viel.
Al-Ma'mun vond dat een letterlijke Koran zijn eigen religieuze gezag ondermijnde. Toen de mihna eindigde, ging de leer naar de ulama, en betekende kalief voortaan plaatsvervanger van de Profeet. Kun je in de negende eeuw geloof en gezag eigenlijk wel uit elkaar halen?
Het college geeft vier redenen. De kruistochten waren duur en niet vol te houden. De kruisvaarders namen geen van de grote steden in: Aleppo, Damascus en Caïro bleven buiten bereik. Ze kregen de stedelijke notabelen daar niet aan hun kant; die werkten liever met hun Turkse rivalen. En het kruistochtideaal verdroeg geen diplomatie. Dat zie je aan het verdrag van 1229, waarin Frederik II de toegang tot Jeruzalem deelde met sultan al-Kamil: het was hoogst impopulair.
Kijk wat er op dezelfde slide staat: een vertaalbeweging van Arabisch en Hebreeuws naar Latijn, een taalkundige erfenis en gemengde bouwstijlen. Kijk ook naar de slide over het woord kruistocht: in die tijd bestond er geen vaste term voor. Welk verhaal over Iberië vertelt elk van de drie woorden al voordat je de bronnen leest?
Rosenwein geeft twee redenen. De nieuwe regionale heersers kopieerden het Abbasidische model van intellectueel leven: elk hof wilde het andere overtreffen in kunst en wetenschap. Daarnaast verbond het Arabisch iedereen, van de sterrenkundige in Córdoba tot de koopman in Caïro. Papier zorgde voor een stroom aan boeken, en moslims leerden overal vergelijkbare teksten. Geleerden als Ibn Sina trokken makkelijk van hof naar hof. Alleen het geloof dreef de cultuur uiteen, met de groeiende kloof tussen soennieten en sjiieten.
Kijk naar de buren van Rus': de Khazaren met hun joodse elite, de islamitische Wolga-Bulgaren, het Roomse Westen en Byzantium. Vladimir koos in 988 waarschijnlijk om het prestige van Basilius II. Wat zie je over het hoofd in een verhaal waarin Rus' "natuurlijk" orthodox werd?
In het Westen leek de nederlaag van de Byzantijnse keizer bij Manzikert het einde van Byzantijns Anatolië. Rosenwein legt de nadruk elders. De blijvende verovering ging stiller: Seldjoekse families trokken met hun vee het land in, op zoek naar weidegrond. Ze reisden als gezin, net als de Vikingen. In Rum pasten ze zich daarna aan de christelijke bevolking aan. Een veldslag is dus een moment, een verovering een proces.
Gomez ziet in de "witte" slavinnen een seksueel onderscheid, Heng ziet in deze tijd al raciaal denken, en Rosenwein ziet dat terug bij de kruistochten. Let op Hengs definitie: elk willekeurig kenmerk kan het startpunt zijn, ook geloof. Past de manier waarop Europeanen alle moslims "Saracenen" noemden bij haar definitie?
Het waren vooral de ongeregelde benden van de Volkskruistocht, zonder toestemming van de paus. Ze kozen de route door het Rijnland bewust: ze zochten een vijand dichter bij huis. Tot dan leefden joden en christenen daar vreedzaam samen, en de bisschoppen beschermden de joden tegen betaling. De benden plakten één woord op alle joden, ongeacht hun verschillen. Ze dreigden met bekering of de dood, en in Metz, Speyer, Worms, Mainz en Keulen volgden moordpartijen.
Alexius vroeg om huurlingen en kreeg Nicea terug. Daarna vergaten de kruisvaarders hun eed: Edessa en Antiochië bleven in westerse handen. Weeg zelf: hielp de kruistocht Byzantium meer dan hij het kostte?
Het college geeft twee perspectieven en je hebt ze allebei nodig. Sociaal-economisch is een stad een plek met marktfuncties, dichte bebouwing en een gevarieerde economie. Politiek-juridisch is het een gemeenschap met vrijheden, zelfbestuur en burgerschap. De Noord-Italiaanse communes laten zien dat die twee samengaan. Ze waren handelscentra én een universitas civium. Toch was volledige zelfstandigheid uitzonderlijk. De meeste steden hadden een heer die de oorkonde gaf.
Het college zet zelf een vraagteken bij "vertegenwoordiging". De vergaderingen groeiden uit hofraden, en het leenverband gaf groepen een voorbeeld om inspraak te eisen. Ze spraken over belasting en wetgeving. Maar wie werd er eigenlijk vertegenwoordigd, en door wie?
De hervormers wilden een zuivere clerus: geen getrouwde priesters en geen gekochte ambten. Daarvoor moesten ze de macht van leken over de kerk breken. Dat lukte alleen met eigen machtsmiddelen. Het pausdom breidde zijn gebied uit, gaf wetten uit en bouwde een bureaucratie, inningskantoren en rechtbanken op. Gratianus bundelde het kerkelijk recht in zijn Decretum. Rosenwein trekt de conclusie dat de kerk zo diep betrokken raakte bij de wereld die ze mee had gevormd.
Kijk naar de Duitse vorsten. Rosenwein zegt dat zij deels uit geloof handelden, omdat velen hervormde kloosters steunden. Maar ze waren ook opportunisten die van een sterke koning af wilden. Kun je bij deze strijd geloof en macht eigenlijk wel van elkaar scheiden?
Rond 1100 vochten de Capetingen tegen een paar kastelen rond het Île-de-France. Toch hadden ze dezelfde middelen als veroveraars: vazallen, belastingen, inkomsten uit handel en een militaire en religieuze reputatie. Lodewijk VI riep vazallen op, hief belastingen, haalde geld uit Parijs en betaalde ambtenaren. Suger maakte van hem een heilige vredesbewaarder. Dat beeld klopte in 1137 alleen in een klein gebied, maar het legde wel de basis voor latere groei.
Bedenk eerst waarom de koning het liet maken: hij wilde weten wat hem aan belasting toekwam. Daarom telt de bron ploegen, boeren, weiland en waarde. Wat zou een boer zelf over zijn leven hebben verteld dat in zo'n lijst nooit terechtkomt?
Hendrik II had de rijkdom om kastelen af te breken en een bestuur op te zetten met geschoolde rechters, writs en de exchequer. Frederik Barbarossa miste dat geld en steunde op persoonlijke trouw. Bovendien zat de paus in zijn rijk, en wilden de Noord-Italiaanse communes hun vrijheid houden. Frederik II gaf de Duitse vorsten enorme concessies om vrij spel tegen de paus te hebben. Zo werd Duitsland een lappendeken van vorstendommen.
Rosenwein zegt dat zowel de kerkelijke als de koninklijke rechtbanken er sterker uit kwamen. Kijk naar wat beide instellingen daarna deden in een samenleving die steeds vaker naar de rechter stapte. Is "winnen" hier wel de goede maatstaf?
Allebei, en dat is precies Rosenweins punt. Binnen de muren bestuurde een groot deel van de volwassen mannen mee. Daarbuiten beval de stad de boeren in de contado: graan leveren op een vaste datum, gewassen kiezen op last van de stad. Venetië bepaalde zelfs de prijs die zijn kooplieden in de Levant boden. Inspraak voor burgers ging dus samen met strakke controle over anderen. Wie het woord republiek gebruikt, moet daarom zeggen voor wie.
Rosenwein laat zien dat troubadourliederen leken op kerkgezangen, en dat liefde voor God en hartstocht door elkaar liepen. Bernart maakt zijn dame bijna heilig, maar haalt God ook omlaag: moet de Heer hem helpen verleiden? Kan een lied tegelijk eerbiedig en ondeugend zijn, en wat zegt dat over het publiek aan het hof?
Omdat er nooit één kloosterleven was. Het had wortels in de Grieks-Romeinse filosofie en in joodse groepen als de Essenen. Pachomius beschreef het samenleven volgens een regel, maar daarna ontstonden overal eigen regels: van Johannes Cassianus, Augustinus en Columbanus. Pas de regel van Benedictus (ca. 530) werd heel populair, en de cisterciënzers hervormden ook die weer. Elke gemeenschap gaf een eigen antwoord op de vraag hoe je samen voor God leeft.
Het college zegt dat de pausen in Avignon veiligheid zochten voor de onrust in Rome, en dat ze hun gezag als opvolgers van Petrus bewaarden. Tegelijk kwamen ze allemaal van ten zuiden van de Loire en kregen de Fransen de meerderheid onder de kardinalen. Wie heeft er belang bij het woord gevangenschap, en wat zegt een kaart van Rome als weduwe in het zwart over de afzender?
Ze combineren twee soorten bewijs. Genetici onderzochten oud DNA van de pestbacterie. Dat wijst erop dat die zich tussen 1142 en 1339 in vier stammen splitste, bij het Qinghai-Tibet-plateau. Historici leggen daar geschreven bronnen naast over de Mongoolse veroveringen, hun eten en hun gewoonten, zoals het gebruik van marmotten voor vlees en bont. Zo wijzen ze momenten aan waarop Mongoolse legers het leefgebied van knaagdieren verstoorden. Zeker is het niet: Hymes en Green kiezen elk een ander moment, en Rosenwein spreekt van sterke aanwijzingen.
Kijk naar wat hen bijeenhield. De Almohaden speelden in op wrok tussen stammen, en Saladin regeerde lang in naam van een ander. Zijn erfgenamen verdeelden de steden onder familie. Was de stabiliteit dus echt, of alleen de buitenkant?
Beiden gaven hun bezit weg, preekten armoede en wilden niet in een klooster. Het verschil zat in de erkenning. Franciscus vond met hulp van de bisschop van Assisi gehoor aan het pauselijk hof, en rond 1209 mocht zijn groep boete prediken. Waldo vroeg ook om vrij te mogen preken, maar de paus wees dat af. Daarna volgden excommunicatie en verdrijving. Rosenwein wijst ook op het moment: enkele decennia later maakte dezelfde boodschap de kerk veel minder ongerust.
Begin bij wat de ondervragers niet zelf verzonnen kunnen hebben: in Lombers kwam de groep schijnbaar vrijwillig en sprak de bisschop fel tegen. Let ook op de namen: zij noemden zich "Good Men", de kerk sprak van dualisten. Welke uitspraken in zo'n verslag vertrouw je, en welke niet?
Omdat het ook om beeld en bezit ging. Rosenwein laat zien dat vorsten met een verdrijving het bezit van joden in beslag namen en tegelijk vroom leken. In Engeland had Hendrik III de joden al zwaar belast, zodat er in 1275 misschien nog 3.000 over waren. Toen Eduard I hen in 1290 verdreef, had bijna niemand nog geld. Mell stelt bovendien dat het etiket woekeraar vooral diende om joden zwart te maken. Een verdrijving leverde de koning dus vooral bezit en een vroom imago op.
Veel historici scheiden middeleeuws anti-judaïsme van modern antisemitisme. Heng wijst dat onderscheid af. Kijk naar wat er gebeurde: herkenningstekens, de bloedsmaad, verdrijving. Maakt het voor de slachtoffers uit welk woord we ervoor kiezen, en wat win of verlies je als historicus met het woord racisme?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Samenvatting Geschiedenis I: Middeleeuwen · Oefenen met Geschiedenis I: Middeleeuwen · Bekijk prijzen