Geschiedenis jaar 1 · Groningen (MID)
Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Geschiedenis I: Middeleeuwen doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.
Deze pagina gaat over de vorm van het tentamen Geschiedenis I: Middeleeuwen; de stof zelf staat in de samenvatting. Het tentamen is digitaal en heeft drie delen: veertig gesloten kennisvragen (40 procent), een bronvraag over een onbekende middeleeuwse bron van ongeveer 500 woorden (30 procent) en een essay van 300 tot 400 woorden, met een keuze uit twee vragen (30 procent). Je ziet hier welke onderwerpen de meeste ruimte krijgen, waar de punten waarschijnlijk liggen, wat de meeste denkkracht kost en hoe je je studietijd verdeelt, met daaronder de fouten die studenten het vaakst maken. De analyse beslaat alle zeven weken: Rosenwein en de hoorcolleges, van het einde van het westelijke Romeinse rijk tot rond 1500.
| Onderwerp | Aandeel in de stof | verwacht tentamengewicht | Moeilijkheid | Studietijd |
|---|---|---|---|---|
| Het westen na Rome (300-750) | 12% | 11% | 3 van 5 | 10% |
| Byzantium van Heraclius tot de Comnenen (600-1100) | 9% | 9% | 4 van 5 | 9% |
| De islam en de kalifaten (610-1050) | 11% | 12% | 4 van 5 | 12% |
| De Karolingers (714-888) | 6% | 7% | 2 van 5 | 6% |
| Versplintering, vazalliteit en nieuwe koninkrijken (900-1050) | 7% | 7% | 4 van 5 | 8% |
| Seldjoeken, Almoraviden en de kruistochten (1040-1291) | 7% | 8% | 3 van 5 | 8% |
| Kerkhervorming en investituurstrijd (910-1150) | 6% | 7% | 4 van 5 | 8% |
| Steden, scholen en hofcultuur (1050-1300) | 9% | 7% | 3 van 5 | 7% |
| Koningschap en vertegenwoordiging (1066-1356) | 8% | 9% | 3 van 5 | 9% |
| Pausdom, ketters en vervolging (1198-1417) | 9% | 8% | 4 van 5 | 9% |
| Almohaden, Saladin, Mongolen en Mali (1145-1350) | 6% | 6% | 3 van 5 | 6% |
| Crisis en creativiteit (1300-1500) | 10% | 9% | 3 van 5 | 8% |
De stof is breed verdeeld over de zeven weken, zonder één onderwerp dat alles overheerst. Het westen na Rome is met 12 procent het grootst, gevolgd door de islam en de kalifaten (11 procent) en de crisis van 1300 tot 1500 (10 procent). Byzantium, de kerk van Innocentius III tot Konstanz en de steden en scholen van de hoge middeleeuwen krijgen elk 9 procent. Tel je de onderwerpen over de islamitische wereld samen (de kalifaten, de Seldjoeken en kruistochten, en de Almohaden tot Mali), dan beslaan ze bijna een kwart van de stof. Het westen krijgt de meeste woorden, maar de essayvraag vraagt naar alle drie de zusterculturen. De Karolingers en de kerkhervorming zijn met 6 procent de kleinste blokken.
Zo pak je het aan: Maak één tijdlijn met drie banen, voor Byzantium, de islamitische wereld en het westen, en zet per eeuw twee of drie ankerpunten op elke baan. Zo zie je wat tegelijk gebeurde, en dat is de grondstof voor elk vergelijkend essay.
De punten volgen de ruimte in de stof, met een verschuiving naar wat zich scherp laat bevragen. De islam en de kalifaten leveren met 12 de meeste verwachte punten: namen, volgordes en begrippen als ummah, dhimma en mihna passen precies in invul-, koppel- en ordenvragen. Het westen na Rome volgt met 11. Koningschap en vertegenwoordiging stijgt van 8 procent stof naar 9 punten, en de Karolingers en de kerkhervorming stijgen van 6 naar 7, omdat jaartallen als 800, 843, 1077 en 1122 zich goed laten ordenen. Steden, scholen en hofcultuur zakt van 9 naar 7: daar gaat veel over debatten en idealen, die lastiger in een gesloten vraag te vangen zijn.
Zo pak je het aan: Bij de multi-selectvragen geldt goed min fout: een gok die misgaat haalt een goed antwoord weg. Vink alleen aan wat je zeker weet. Oefen voor de invulvragen de spelling van eigennamen hardop, zoals Abd al-Rahman, Æthelstan en Chinggis Khan.
Vijf onderwerpen vragen het meeste denkwerk. De islam en de kalifaten hebben veel namen en dynastieën die op elkaar lijken. Byzantium draait om een leger dat steeds van vorm verandert en om het iconoclasme met twee periodes. Bij versplintering en vazalliteit moet je een omstreden begrip als feodalisme hanteren, bij de kerkhervorming het principe achter Canossa en Worms, en bij het pausdom de vraag wie spreekt in bronnen over ketters en joden. De Karolingers zijn het lichtst: één familie, een duidelijke chronologie en een beperkt aantal begrippen. De overige onderwerpen zitten in het midden.
Zo pak je het aan: Leer de zware onderwerpen in paren die je kunt vergelijken: iconoclasme naast mihna, iqta naast pronoia en leen, Gregorius VII naast Bonifatius VIII. Een vergelijking maakt de stof lichter en is meteen de opbouw van een essayalinea.
In het kwadrant eerst leren staan twee onderwerpen die veel punten opleveren en moeilijk zijn: de islam en de kalifaten, en Byzantium. Snelle punten haal je bij het westen na Rome, de crisis van 1300 tot 1500 en koningschap en vertegenwoordiging: veel verwachte punten met een middelzware stof. Versplintering en vazalliteit, de kerkhervorming en het pausdom met ketters en vervolging kosten tijd: ze zijn moeilijk en leveren net minder dan gemiddeld op. De Karolingers, de Seldjoeken en kruistochten, de Almohaden tot Mali en de steden en scholen zijn bijvangst, al blijven ze nodig voor de vergelijkingen in het essay.
Zo pak je het aan: Begin bij de twee onderwerpen uit eerst leren. Ze vormen samen met het westen de drie zusterculturen, dus schrijf er een proefessay van 300 tot 400 woorden over dat Byzantium en de kalifaten op één criterium vergelijkt. Pak daarna de snelle punten mee met flashcards en een tijdlijn.
De studietijd weegt punten en moeilijkheid samen. De islam en de kalifaten vragen het grootste deel (12 procent), daarna het westen na Rome (10 procent). Byzantium, het pausdom en koningschap en vertegenwoordiging krijgen elk 9 procent. De crisis van 1300 tot 1500, versplintering en vazalliteit, de Seldjoeken en kruistochten en de kerkhervorming krijgen elk 8 procent, de steden en scholen 7 procent. De Karolingers en de Almohaden tot Mali zijn met 6 procent het kortst. Houd naast deze verdeling tijd vrij voor de bronvraag en het essay, samen 60 procent van het cijfer: die oefen je over alle onderwerpen heen.
Zo pak je het aan: Reserveer elke week een vast blok voor een onbekende bron: vraag wie schrijft, wanneer, voor wie en met welk doel. Schrijf daarnaast elke week één essay op de klok, want bij het essay tellen ook 3 van de 10 punten voor taal en vorm.
Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.
Wat er misgaat: Je schrijft een instelling of gebeurtenis toe aan de verkeerde cultuur: de grondbelasting aan de Karolingers, de mihna aan Byzantium, of het iconoclasme aan de islamitische wereld.
Hoe het wel moet: Leer elk vergelijkingspunt met de cultuur erbij: Byzantium en de kaliefen hieven grondbelasting, Francia had geen grondbelasting en betaalde met land en buit. Het iconoclasme hoort bij Byzantium (726-787 en 815-843), de mihna bij de Abbasiden (833-848).
Waardoor het komt: De drie erfgenamen van Rome kenden vaak vergelijkbare problemen en antwoorden, en Rosenwein trekt zelf de lijnen tussen hen, zoals van Leo III naar al-Ma'mun. Wie de vergelijking onthoudt zonder de kant, verwisselt ze makkelijk. Een essay over de zusterculturen valt dan op de inhoud.
Waaraan je het herkent: Je essay vergelijkt de drie culturen, maar je kunt per bewering niet direct een naam, plaats of jaartal uit die cultuur noemen.
Wat er misgaat: Je neemt over wat een bron over een groep zegt alsof het zo was: Katharen als dualisten, alle moslims als Saracenen, of Clovis als nieuwe Constantijn omdat Gregorius van Tours dat schrijft.
Hoe het wel moet: Stel bij elke bron eerst de vragen wie schrijft, wanneer, met welk doel en wie er buiten beeld blijft. Schrijf dan wat de bron laat zien over de schrijver, en pas daarna wat hij zegt over de groep.
Waardoor het komt: Veel groepen kennen we alleen via hun tegenstanders of via latere schrijvers. Het geloof van de Katharen kennen we vooral via hun ondervragers, Gregorius werd na de dood van Clovis geboren, en de uitvoerige bronnen over de Umayyaden zijn na hun val geschreven. De bronvraag is precies hierop gebouwd.
Waaraan je het herkent: Je antwoord op de bronvraag vat de inhoud samen en noemt de auteur, zijn tijd of zijn belang niet.
Wat er misgaat: Je haalt personen met dezelfde of een bijna gelijke naam door elkaar, zoals Gregorius de Grote en Gregorius VII, keizer Leo III en paus Leo III, Columbanus en Columba, of Augustinus van Canterbury en Augustinus van Hippo, of je spelt een naam verkeerd.
Hoe het wel moet: Koppel elke naam aan een jaartal en een daad: Gregorius de Grote (590-604) stuurde de missie naar Kent, Gregorius VII (1073-1085) botste met Hendrik IV. Keizer Leo III begon het iconoclasme, paus Leo III kroonde Karel de Grote in 800.
Waardoor het komt: De stof loopt over duizend jaar en drie culturen, en dezelfde namen komen steeds terug. Bij de invulvragen moeten eigennamen correct gespeld zijn, met een hoofdletter waar nodig; een verwisselde persoon is een fout antwoord.
Waaraan je het herkent: Je kent de naam, maar je kunt zonder twijfel geen jaartal of gebeurtenis noemen die alleen bij deze persoon hoort.
Wat er misgaat: Je schrijft als vaststaand feit dat de Mongolen de pest naar de mens brachten, dat paus Zacharias in 751 toestemming gaf voor de afzetting van de Merovingische koning, of dat Leo III een gouden icoon bij de Chalke-poort liet weghalen.
Hoe het wel moet: Geef aan wie iets stelt en hoe zeker het is: volgens Hymes en Green wijst het bewijs op een Mongoolse oorsprong, maar het blijft een hypothese. Noem bij een debat beide posities, zoals Gomez en Heng over al-Bakri.
Waardoor het komt: Over deze punten is de stof voorzichtig. Rosenwein zegt dat het bewijs voor de Mongoolse oorsprong van de pest sterk wijst, recent onderzoek trekt de toestemming van Zacharias sterk in twijfel, en volgens Brubaker en Haldon is het verhaal over de Chalke-poort waarschijnlijk een latere legende.
Waaraan je het herkent: Je schrijft een bewering zonder bron of voorbehoud, terwijl de samenvatting er een historicus of een Let op bij zet.
Wat er misgaat: Je beschrijft de middeleeuwse samenleving als één feodale piramide, overal gelijk en vanaf de Karolingers aanwezig, en je gooit vazalliteit en het hofstelsel daarbij op één hoop.
Hoe het wel moet: Gebruik de precieze begrippen. Vazalliteit is de band tussen heer en vazal, met hulde, trouw en een leen. Het hofstelsel gaat over heer en boer op een domein. Gebruik je toch het woord feodalisme, zeg dan welke betekenis je bedoelt en voor welke regio.
Waardoor het komt: Feodalisme is een term die historici zelf afleidden, en Rosenwein vermijdt hem meestal. Historici gebruiken hem voor uitbuiting van boeren, voor anarchie en voor een geordende piramide, en de datering verschilt per regio: Frankrijk eind tiende eeuw, veel van Duitsland in de twaalfde eeuw, veel van Italië nooit.
Waaraan je het herkent: Het woord feodaal staat in je antwoord zonder regio, eeuw of uitleg erbij.
Wat er misgaat: Je schrijft dat Hendrik IV in 1077 bij Canossa verloor en dat de investituurstrijd daarmee beslist was.
Hoe het wel moet: Leg de lagen uit: het principe (de paus zag de koning als leek, de koning zag zich als beschermer van de kerk), de belangen van de Duitse vorsten en de Italiaanse steden, en het compromis van Worms (1122), waarin de investituur in tweeën werd gesplitst.
Waardoor het komt: Het beeld van de knielende koning is sterk. Toch dwong Hendrik met zijn boetedoening de vergeving af die hij wilde, en Gregorius kon als herder niet anders. De burgeroorlog ging door tot 1122.
Waaraan je het herkent: Je verhaal over de investituurstrijd eindigt in 1077 en noemt het Concordaat van Worms niet.
Wat er misgaat: Je noemt Magna Carta een grondwet of een stap naar democratie, of je verwart het Franse Parlement met het Engelse Parliament.
Hoe het wel moet: Gebruik het onderscheid van Rosenwein, conservatief in inhoud en radicaal door haar bestaan, en zet de aanloop in volgorde: Normandië verloren (1204), harde heffingen, Bouvines (1214), opstand. Noem bij vertegenwoordiging de juiste instelling per rijk: cortes, Parliament of de standen.
Waardoor het komt: Moderne woorden liggen voor de hand. Magna Carta legde de gewoonterechten van de elite vast en is volgens Rosenwein conservatief in inhoud; radicaal was dat de koning nu onder geschreven regels stond. Het Franse Parlement was een rechtbank van beroepsrechters, het Engelse Parliament een vertegenwoordigende vergadering.
Waaraan je het herkent: Je gebruikt woorden als grondwet, democratie of volksvertegenwoordiging zonder ze te nuanceren.
Wat er misgaat: Je schrijft dat de iqta, de pronoia en het leen hetzelfde waren, of je noemt alleen de overeenkomst.
Hoe het wel moet: Noem eerst de overeenkomst, daarna de verschillen. De pronoia was tijdelijk, de iqta werd vaak erfelijk. Een vazal was meestal gebonden aan één streek en één heer, de troepen van islamitische bevelhebbers waren vaak vreemdelingen en vroegere slaven zonder band met een plek. Vraag steeds wie het land kreeg, voor hoe lang en wat dat deed met het centrale gezag.
Waardoor het komt: Rosenwein zet ze zelf naast elkaar: alle drie gaven land in plaats van salaris. Juist daardoor blijft de overeenkomst hangen en vallen de verschillen weg, terwijl een vergelijkende essayvraag om beide vraagt.
Waaraan je het herkent: Je vergelijking heeft één alinea met overeenkomsten en geen enkel verschil.
Wat er misgaat: Je haalt de breuk tussen Rome en Constantinopel van 1054 door elkaar met het Westers Schisma vanaf 1378, of je laat het schisma eindigen in Pisa.
Hoe het wel moet: Houd ze uit elkaar met de partijen en de afloop: 1054 is oost tegenover west en werd blijvend. 1378 is Rome tegenover Avignon, Pisa (1409) voegde een derde paus toe, en Konstanz (1414-1418) koos Martinus V.
Waardoor het komt: Beide heten schisma. In 1054 excommuniceerden Humbert en de patriarch van Constantinopel elkaar, een breuk tussen oost en west. In 1378 kreeg het westen zelf twee pausen, en het Concilie van Pisa (1409) maakte er drie van.
Waaraan je het herkent: Bij een ordenvraag weet je niet of Pisa vóór of na Konstanz kwam, of wie de tegenpartij van Rome was.
Wat er misgaat: Je gaat ervan uit dat de veroverde gebieden snel islamitisch en Arabisch werden, en dat christenen en joden er gedwongen werden zich te bekeren.
Hoe het wel moet: Beschrijf de verhouding tussen veroveraars en bevolking: christenen en joden betaalden de jizya en hielden hun geloof, zoals Johannes van Damascus laat zien. Noem de Mozarabieren als voorbeeld van christenen die Arabisch spraken.
Waardoor het komt: Het woord islamitisch suggereert een meerderheid. Volgens Rosenwein was de islamitische wereld maar een beetje islamitisch. Het dhimma-stelsel kende geen gedwongen bekering, het Midden-Oosten had volgens het college pas in de elfde eeuw een islamitische meerderheid, en in al-Andalus was rond 900 ongeveer een kwart van de bevolking moslim.
Waaraan je het herkent: Je schrijft dat de veroverde gebieden islamitisch werden, zonder te zeggen wanneer en voor wie.
Wat er misgaat: Je laat het iconoclasme in 787 eindigen of geeft het één begin- en einddatum, en je schrijft dat de Byzantijnen zichzelf zo noemden.
Hoe het wel moet: Leer twee periodes: 726 tot 787 en 815 tot 843, met 843 als definitief einde. Rosenwein noemt het iconoclasme mislukt: na 843 hoorde beeldenverering vast bij de orthodoxe kerk. Gebruik bij de band met Rome dat de Byzantijnen zich de ware erfgenaam van Rome noemden.
Waardoor het komt: Het concilie van Nicaea onder Irene (787) lijkt een afsluiting, maar van 815 tot 843 volgde een tweede, aangepaste periode. En Byzantium is een moderne naam: de inwoners noemden zichzelf Romeinen. Ordenvragen en essays over de band met Rome draaien juist op zulke punten.
Waaraan je het herkent: Je noemt maar één jaartal voor het einde van het iconoclasme, of je weet niet wat er in 815 gebeurde.
Wat er misgaat: Je schrijft dat de Grote Hongersnood heel Europa trof en dat de veertiende eeuw alleen een tijd van crisis was, met de renaissance als een tijdperk dat daarna kwam.
Hoe het wel moet: Zeg altijd waar en voor wie de schaarste of de crisis gold. Noem bij de oorzaken van de hongersnood bevolkingsdruk en de kleine ijstijd in het noorden, en daarnaast oorlog, heffingen en het sturen van markten. Laat bij de pest zien wie er ook op vooruitging, zoals arbeiders met hogere lonen.
Waardoor het komt: De namen klinken alomvattend. Het Middellandse Zeegebied ontsnapte aan de Grote Hongersnood, en de bundel van Drendel laat zien dat menselijk handelen even schuldig was als de natuur. Rosenwein ziet crisis en renaissance als gelijktijdig: een crisis voor de ene groep was een creatief moment voor de andere.
Waaraan je het herkent: In je antwoord staat Europa als geheel, zonder onderscheid tussen noord en zuid of tussen groepen.
De samenvatting van Geschiedenis I: Middeleeuwen volgt de colleges, week voor week. Week 1 lees je gratis met een account.
Begin gratis met week 1 · Samenvatting Geschiedenis I: Middeleeuwen · Bekijk prijzen
Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting van dit vak, niet van eerdere tentamens. De grafieken laten zien hoe zwaar de onderwerpen in de leerstof wegen en hoe complex ze zijn. Gebruik ze om je prioriteiten te bepalen, niet als blauwdruk voor het tentamen. Een goede voorbereiding blijft altijd breder dan wat je hier ziet.